vrijdag 28 december 2012

Evenaar - Miguel Sausa Tavares

Dit boek speelt zich af op de onbekende Portugese kolonie Sao Tomé en Principe, voor de kust van Afrika, in 1905 tot 1908. Slavernij was een van de onderliggende leesthema's van dit jaar. Het laatste boek van 2012, en eerste van 2013, handelt over de periode dat slavernij feitelijk overal al wel verboden was, maar regeringen, plantagehouders en gouveneurs met de wet een handje lichten. Zo werden de Angolezen die op de plantages op Sao Tomé werkten wel betaald, en haden ze feitelijk het recht op terugkeer naar hun land, of het wisselen tussen plantages. Dit recht konden ze echter niet uitvoeren. Daarmee waren het eigenlijk nog altijd slaven.
De hoofdpersoon van dit boek Luïs Bernardo Valença, wordt door de koning van Portugal aangesteld om ervoor te zorgen dat de Engelse consul, die op het eiland komt om verslag te doen voor de Engelse regering, een niet volledig negatief verslag uitbrengt. Dat zal namelijk leiden tot een boycot van cocao uit Sao Tomé. Dat de plantagehouders niet geneigd zijn om hun praktijken, en hun feitelijk gratis werknemers, te veranderen, laat zich raden.
Al snel na zijn aankomst op de eilanden ontdekt de nieuwe gouverneur dat de dertigduizend Angolese werklieden op de plantages weliswaar in rechte geen slaaf zijn (zij hebben een arbeidsovereenkomst en ontvangen loon), maar dat hun in feite geen keus wordt gelaten – van repatriëring komt niets terecht, ook niet na het verstrijken van hun contract. Bovendien blijven huisvesting en medische verzorging van de werklieden op de meeste roças ver onder de maat en is het werk er onmenselijk hard. Mishandeling door blanke opzichters blijkt geen uitzondering te zijn.
Op het eiland is verder geen enkel cultureel vertier. De nieuwbakken gouveneur, gewend aan het modaine Lissabon, voelt zich er verloren. Als de Engelse consul op het eiland ariveert, ontstaat er dan ook een vriendschap tussen de twee, die eigenlijk vijanden zijn. De verhouding vercompliceert verder als de gouveneur verliefd wordt op de vrouw van de consul.
Die liefdesverhouding is het enige zwakke aan dit boek, dat verder een prachtige historische roman is. De relatie heeft weinig psychologische diepgang, en verkeert soms bijna op het niveau van een chicklit. Vrij plastische sex en een vrij plastische relatie.
In Portugal heeft deze goed verkopende roman een discussie aangezwengeld over het koloniale verleden. Hier is een interview met de auteur hierover: http://lusophonia.com/?q=node/151 Het boek wordt soms de Portugese Max Haveklaar genoemd. Overeenkomsten zijn er dan ook, maar zelf vond ik Max Havelaar literair gezien een veel diepere roman. De vertelconstructie was interessanter, de zinnen mooier. Dat komt voor mij denk ik ook omdat het in die tijd geschreven is, terwijl Evenaar toch echt een moderne historische roman is.

zaterdag 22 december 2012

Dagboek van een oude dwaas - Junichero Tanizaki

Qua thematiek lijkt dit boek wel op 'De sleutel', een eerdere Tanizaki die ik gelezen heb, maar dit boek is veel minder rijk. De hoofdpersoon, de oude Utsugi, is niet erg complex, en inderdaad wel wat de titel aangeeft, een oude dwaas. Waar de karakters in De sleutel complex zijn in hun verlangens en het spel van aantrekking en afstoting to het eind toe gevoerd wordt, is dit meer recht toe recht aan. Tanizaki was aan het eind van zijn leven toen hij dit schreef, en tussen de scenes met de sexuele fascinatie van Utsugi voor zijn schoonzus door lees je over het leven van een oude man, die op de been wordt gehouden met medicatie.
Zijn muze, schoondochter Satsuko is interessant. Zij komt helemaal niet Japans over. Ze rijdt auto, gaat naar bokswedstrijden, en deed mij sterk denken aan de filmactrices uit de Franse films uit de jaren vijftig, Simone Signoret wordt zelfs genoemd in dit boek.

donderdag 13 december 2012

De smaak van venijn - Alan Bradley

Ik zal nooit echt fan van het genre young adult worden denk ik, net zoals ik ook niet zo meer houd van kinderboeken om te lezen. Het is allemaal net te makkelijk, te gericht op wat ik niet meer ben. Met de hoofdpersoon die houdt van scheikunde en een wat vreemde familie had ik iets Adams family achtigs in mijn hoofd toen ik 'Flavia' meenam, maar dat is het net niet. Niet griezelig. Het verhaal van de postzegel is leuk, er is duidelijk aandacht aan besteed. Ik heb er wel lekker in gelezen, maar zal niet speciaal meer van Flavia hoeven lezen.

zondag 9 december 2012

Ooku the inner chambers vol 7

Na 6 afleveringen komen we weer terug in de wereld die in de eerste manga geportreteerd wordt, die van shogun Yoshimune. Aan het eind van het eerste deel krijgt Yoshimune, O-nobu, het boek chronicle of a dying day, waarin de geschiedenis van het shogunaat verteld wordt. In dit deel, nummer zeven, blijkt dat er een tweestrijd is in de inner chambers om de opvolging als shogun. Een deel steunt Yoshimune van het Kii domein, een ander deel Tsugutomo van het Owari domein. Geko-in, de vader van de huidige shogun (die is nog maar vijf, en erg ziekelijk) en Manabe Akifuso, de hoogste kamenier, steunen Owari. Door intrige van haar vazallen wint uitiendelijk Yoshimune. Hiermee eindigt the chronicle of a dying day.
Yoshimune baart drie dochters. De vader van haar eerstgeborene sterft later. Ze laat een ziekenhuis bouwen en geneesvrouwen daar zoeken naar een genezing voor de red face pocks, de ziekte die alleen mannen treft. Ook denkt ze na over de situatie van mannen die werken en vrouwen die de macht hebben. Ze wil graag Japan weer openstellen aan de wereld, maar ziet in dat een wereld met mannen aan het roer fysiek te sterk is voor het Japan met vrouwelijke heersers. Ze is bang overlopen te worden. Ze laat the chronicles of a dying day lezen aan een man, Komiyama, die haar schriftgeleerde wordt. De twee fracties die bij het aantreden van Yoshimune tegenover elkaar stonden, Geko-in en ten'ei-in, lijken zich met elkaar te verzoenen.
Alles lijkt te leiden tot een rustiger periode. Maar dan, in het laatste plaatje, zien we Yoshimunes troonopvolgster, lady Fuku. Zij ziet er ziek uit, haar mond hangt naar beneden.

zondag 25 november 2012

The grass is singing - Doris Lessing

This was a miraculously beautiful novel. I adored the first chapter, which drew in 20 pages the way people in Rhodesia coped with their land. It tells the way things are silenced, not said aloud, not even whispered, as not saying meant not being there, how people are drawn in to this strange culture of power and obedience and after time accept it as being the culture to live in.
The book combines favorite themes; the relationship between man and nature, alienation, losing the grip on your world and not fitting in society and culture. I wrote to a friend that if this was the last book I would ever read, I would be satisfied, and I truly would be.

zondag 11 november 2012

Make the bread, buy the butter - Jennifer Reese

Ik heb veel plezier gehad van dit boek. Ik heb gemaakt: homemade nutella, abrikozen-gember-brood, balsamicomosterd en koekjes. Ik had wel zo mijn vraagtekens bij de schrijfster, die zegt economischer te willen werken en zelf te maken wat ze voorheen kocht omdat ze werkloos werd, en vervolgens een schutting van 3500 dollar laat bouwen om kippen buiten te kunnen laten scharrelen. Het is een Amerikaans boek en zo soms vraag ik me af water daar in hemelsnaam in blik verkocht wordt, zoals broodkruimels en pompoenpuree. Ik heb wel gelachen om de verhalen over de kippen en de eenden.
Ze heeft ook een blog: tipsybaker.com

De geboren renner - Christopher McDougall

Maar die glimlach is merkwaardig opwindend. Je kunt zien dat ze ten volle geniet, alsof er niets ter wereld is wat ze liever zou doen en er geen plek ter wereld is waar ze het liever zou doen dan hier, op dit afgelegen pad in de wildernis van de Apalachen.

Ik heb blijkbaar erg geluk gehad, want ik ren al bijna tien jaar en ik ben nog nooit echt geblesseerd geweest. Terwijl McDougal zegt dat iedere hardloper om de paar maanden geblesseerd is. Het is wel grappig dat McDougall schrijft voor het blad 'Men's health' en over zichzelf zegt: in de vijf jaar sinds ik een poging had gedaan mezelf tot marathonloper om te scholen, had ik mijn kniepees gescheurd (twee keer), mijn achillespees verrekt (herhaaldelijk), mijn enkels verstuikt (allebei, om de beurt), last gehad van een pijnlijke voetholte (regelmatig) en moest ik achteruit op mijn tenen de trap af lopen omdat mijn hielen anders te veel pijn deden.
Maar ondanks deze ongemakken (ahum), knalt het plezier af van de renners in dit boek. Ze rennen omdat ze het leuk vinden, bizarre afstanden (160 kilometer) in buitenissige tijden (22 uur lang) op onaardse plaatsen (op 3 kilometer hoogte, of in Death valley). Smooi!
Ik moet denken aan de runs die ik gemaakt heb waarin ik alleen plezier had en met een glimlach op mijn gezicht rende en terugkwam. Dat zijn er een aantal en meestal begon ik dan zomaar, zonder idee, zonder route. In Utrecht heb ik allerlei renroutes, weet ik precies de afstand, de tijd die ik op bepaalde punten moet lopen om tot een acceptabele eindtijd te komen en het gevoel dat ik hoor te hebben op de brug, of in natuurgebied Nieuw Wulven. Maar soms, meestal op plaatsen die ik niet ken, ren ik gewoon zomaar, en dat is het leukste.
Het dichtstbij een run zoals ze in dit boek beschreven staan, en dan niet qua afstand, maar qua pad, was een run op Achill Island, Polranny mountain. In de mist, omhoog tegen een berg op lopen, op een trackpad, soms door veenbanken, plassen met gras en schapen, geen mens om mij heen, paadjes zoekend in het veenland. Een andere run waar ik nog altijd aan terugdenk is die in de Algarve. Eigenlijk net zo, gewoon begonnen, ook nu tegen een berg op, maar dit keer wel geasfalteerd. Tot boze honden wilden dat ik terugkeerde op mijn scheden en mezelf onderdompelde in een zwembad met water van tien graden.
De beste herinnering heb ik aan runs rond Central Park. Natuurlijk omdat het in New York was. Ik had gewandeld in NY om renkleren en -schoenen te kopen en iets verkeerd gedaan. Mijn voeten zaten onder de blaren. Ik kon nauwelijks lopen, maar met ingetapete voeten wel goed rennen. Ook hier begon ik min of meer gewoon. Mijn hostel was op drie passen afstand van Central Park, dus nog gejetlagt om zes uur 's ochtends, terwijl de zon net opkwam en de echte New Yorkers hun hond uitlieten at ik een muffin in het stalletje aan de start van Central Park en begon te rennen. Er voegden zich steeds meer mensen bij mij, Amerikanen, Chilenen, Spanjaarden, Canadezen. We liepen allemaal een ander tempo, maar toch met elkaar. Langs het Guggenheim, de trappen op naar het waterreservoir, de hoek om richting the Bronx, terug heuvelop, naar de muffinstand, voor een shor espresso en nog een rondje.